O U D E- M U Z I E K
Vanaf de 12e eeuw evolueert de meerstemmigheid vanuit het Gregoriaans met één of meerdere ondersteunende partijen, naar een toenemende eigenheid van elke partij. Tegenover één noot in de ene stem worden er voortaan in de andere partij twee, drie of nog veel meer geplaatst.
In de oude muziek die wij zingen, veelal uit de renaissance, heeft elke partij zijn eigen zelfstandige melodie. Samen vormen deze melodieën een mooie samenklank. Horizontaal gedachte melodische lijnen worden dusdanig op elkaar gestapeld dat zij “verticaal” een perfect samenhangende totaliteit vormen.
Vooral voor de mannenstemmen ligt er een uitdaging in het zingen van oude muziek. Het zingen van een zelfstandige melodie vraagt meer van de zanger dan het zingen van een begeleidende partij, zoals dat in muziek die later gecomponeerd is vaak het geval is.
